blog/Poëzie: de strijd tegen clichés

Dichters zijn zwevers

Heel lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders op een dieet van brood en koude koffie de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren volledig weg van de wereld. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen, hun lichte hoofden waren enkel gevuld met vage ideeën. Dichters waren zwevers.

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)
[Johnny the Selfkicker]

Nu de poëzie zich ontworsteld heeft aan dit romantische ideaal zou je denken dat ook het cliché volledig neergedwarreld is in het stof. Niets is minder waar, het cliché blijft het dichtersvolk terroriseren - voor de doorsnee Vlaming blijft een dichter een zwever.

Het Vroman-effect

Hoog tijd dus voor wat contraterreur. En waarmee het cliché beter bestrijden dan met de geslepen messen van de aartsvijand der zweverigheden, de wetenschap. Een niet onaardig aantal wetenschappers, van wie toch bekend is dat ze met beide voeten stevig in de realiteit staan, blijkt immers ook dichter te zijn. Geen zondagsdichters, maar uitstekende poëten. Geen flut-wetenschappers, maar ernstige bèta’s met naam en faam in de wetenschappelijke wereld.

De in New York residerende Nederlandse hematoloog Leo Vroman is zo’n exemplaar. Al meer dan 43 poëziebundels zijn aan zijn duale brein ontsproten, en in Nederland heeft hij bijna elke literaire prijs gewonnen die er te winnen valt. Zijn multitalent leverde hem in de Van Dale zelfs het lemma ‘vromaneffect’ op, een begrip dat niet alleen op een hematologisch verschijnsel duidt, maar ook verwijst naar ‘het resultaat van de verstrengeling van literaire en natuurwetenschappelijke begaafdheid’.

De ondertussen vierennegentigjarige Vroman dicht in speelse, lichtvoetige woorden vooral over herkenbare en persoonlijke dingen. Steeds vaker gaat het in zijn laatste bundels over het gapende gat dat hem ongeduldig opwacht. In dit fragment uit 1981 vertelt hij wat hem precies fascineert aan de dood, en waarom kwijlen en seniel zijn hem fantastisch lijken. Hij leest ook voor uit zijn dichtbundel ‘Het verdoemd carillon’. Nee, de man is nog lang niet dood.

[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]


[Leo Vroman in ‘Wie schrijft die blijft’, 1981 ]

Twee soorten wetenschap

Iets zuiniger met herkenbaarheid is de Vlaamse neuropsycholoog Jan Lauwereyns. Ook hij heeft zowel de poëzie als de wetenschap als muze. Maar zijn gedichten zijn moeilijker te doorgronden dan die van Vroman. Lauwereyns bekijkt ook het dichten als een soort wetenschap, waardoor zijn doorwrochte poëtische composities bijna op wiskundige puzzels lijken. Maar dichten is toch een heel ander soort wetenschap. Daarom blijft het voor Lauwereyns een welkome afwisseling voor de rationele neuropsychologie waar hij beroepshalve mee bezig is. Hij noemt de twee jobs perfect complementair. De ene heel technisch, de andere heel vrij. En natuurlijk is er vaak een wisselwerking, als een wetenschappelijke observatie hem aan het dichten zet bijvoorbeeld.

[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]


[Jan Lauwereyns in Alina, 2003 ]

Wetenschap als inspiratiebron

Wetenschappelijke inzichten inspireren niet alleen dichtende wetenschappers, maar ook volbloed alfa poëten. Zo draagt Denise Levertov haar gedicht ‘Primary wonder’ volledig op aan het universum. Dava Sobel maakte voor haar boek ‘Longitude, Galileo’s Daughter, and The Planets’ gebruik van poëzie om niet-wetenschappers in haar boek te lokken, iets waar Lord Byron en Lewis Carroll ook niet vies van waren, zo blijkt. Edgar Allan Poe was dan weer erg bang van de om zich heen klauwende wetenschappers, en ventileerde zijn onrust via een sonnet. Sean Miller en Shveta Verma schreven op hun beurt het boek ‘Creative writing inspired by string theory’. En Jules Deelder, die was ook nog een keertje geïnspireerd.

[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]


[Wim Helsen leest Jules Deelder, 2006 ]

De onzegbare bevindingen van de wetenschap

Het kan ook omgekeerd. Poëzie moet soms te hulp snellen daar waar de wetenschap op waarheden stuit die ons begripsvermogen op de proef stellen. Het is dan ook geen toeval dat je dichtende wetenschappers vooral onder breinspecialisten en astrofysici aantreft. Zij bestuderen domeinen waar in men op zijn zachtst uitgedrukt tot de verbeelding sprekende ontdekkingen doet waar het analytische verstand soms niet bij kan. Op dat moment is er de poëzie, de reddende engel. Om dingen beter en anders te zien.

Poëzie kan ook helpen om wetenschappelijke fenomenen waarachtiger te omschrijven. Want zowel wetenschappers als dichters moeten vaak ongewone concepten, waar de wereld nog niet klaar voor is en waarvoor ze de woorden soms nog moeten uitvinden, communiceren zonder daarbij naar clichés - die de betekenis zouden verdraaien - terug te grijpen.

De beroemde natuurkundige John Wheeler bijvoorbeeld, een van de grondleggers van de kwantumfysica, trotse co-eigenaar van de atoombom en beste vrienden met Niels Bohr en Albert Einstein, paste dit voorbeeldig toe. In afwezige momenten bedacht hij poëtische termen voor hypercomplexe verschijnselen. Hij liet zich vollediggaan, zoals een goede dichter betaamt. Zo noemde hij de weg tussen twee punten in het universum die je toelaat sneller te reizen dan het licht, een ‘wormgat’. Beroemder is hij om de term die hij bedacht voor het fenomeen in de ruimte waaruit geen licht of materie kan ontsnappen als gevolg van zijn alles opslorpende zwaartekracht, het mysterieuze gulzige ‘zwarte gat’.

En het ziet er naar uit dat de rol van poëzie als tolk voor de wetenschap alsmaar groter wordt. Wetenschap speelt zich steeds meer af op een schaal die we ons niet kunnen voorstellen, waardoor de beeldvorming ervan steeds vaker helemaal overgeleverd is aan de taal.

Ook de dichters Lavinia Greenlaw, Maurice Riordan, Mario Petrucci en Michael Symmons-Roberts spelen met dit idee. Op een wetenschappelijke happening georganiseerd door het Londonse collectief ‘Poet in the City’, vertellen ze dat poëzie en wetenschap meer gemeen hebben dan je op het eerste zicht zou vermoeden.

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

Zwevers hebben toekomst

Het lijkt dus alsof de cirkel helemaal rond is. In de Middeleeuwen was de dichter een autoriteit, iemand die ‘de waarheid’ sprak. Ook wetenschappelijke teksten werden toen in rijmvorm geschreven, trouwens. Vanaf de 16e eeuw namen wetenschappers de taak van de dichter als verkondiger van de ‘waarheid’ over. Een wetenschappelijk werk werd nog steeds ingezet met een gedicht, maar de taakverdeling was duidelijk. Dichters trokken zich steeds meer terug uit het maatschappelijke leven, veilig weggedoken op hun zolderkamers.

Maar vandaag staat de dichter weer in het veld, naast de wetenschapper. Ze hebben vaak meer met elkaar gemeen dan ze zelf beseffen. Een innoverende wetenschapper balanceert, net zoals een vernieuwende dichter, op de rand van wat de meeste mensen begrijpen, voor hij met zijn resultaat naar buiten komt. Sterker nog, een wetenschapper is – willen of niet - pas op zijn best als hij de poëzie ten volle toelaat in zijn universum. Het hoofd lichter maken blijkt zowaar de enige overlevingsstrategie om de grote wetenschappelijke vraagstukken te vatten, in woorden en gedachten. Echt goede wetenschappers zijn dus eigenlijk, zwevers.

TAGS:

Reageer